Mr aidsbestrijding

Peter van Rooijen stond aan de wieg van de aidsbestrijding in Nederland. Nu krijgt hij een eredoctoraat in Amsterdam. “Praten over hiv is onder jongeren het nieuwe taboe. Veilig vrijen verliest snel terrein.”

Een bescheiden activist, wordt Peter van Rooijen (1956) wel genoemd. De aidsbestrijder van het eerste uur reageert een beetje verbaasd op zijn jongste onderscheiding, een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam.

Aan de keukentafel van zijn herenhuis in hartje Amsterdam schenkt Van Rooijen thee in, en zegt: “Het eredoctoraat is aardig, dat wel. Het komt alleen een beetje onverwachts. In een persbericht moest ik lezen dat ik de benoeming te danken heb aan mijn landelijke en internationale inzet voor een betere gezondheidszorg. Daarom zie ik het niet alleen als een eerbetoon voor mijzelf, maar ook voor de ontelbare overleden mensen met wie ik samen de strijd tegen aids heb georganiseerd.”

Vier miljard

Meer dan dertig jaar is Van Rooijen actief in talloze hulporganisaties, die hij niet zelden zelf hielp oprichten, zoals het Aids Fonds, Stop Aids Now en Dance4Life. “Toen ik de dertig was gepasseerd, was ik al zo lang bezig met aids, dat ik besloot dat ik er net zo goed mijn beroep van kon maken. Het lukt mij kennelijk goed mensen bij elkaar te brengen en organisaties op te bouwen.”

“Elf jaar geleden begon ik bijvoorbeeld met International Civil Society Support, waarvan ik nu directeur ben. Dat is een internationale lobby-club die geld sprokkelt voor hulporganisatie Global Fund. Dit fonds helpt kwetsbare groepen die het slachtoffer zijn van de falende gezondheidszorg in arme landen. De opbrengst gaat naar hiv-patiënten, drugsverslaafden, transgenders en sekswerkers. Wij helpen ze in de strijd tegen epidemieën als aids, malaria, tuberculose en hepatitis. Onze lobbyisten halen hiervoor in vijfenzeventig landen jaarlijks vier miljard dollar aan donorgeld op. Dat lijkt veel, maar het is slechts een vijfde van wat nodig is.”

Toegankelijke zorg

Van Rooijen vertelt hoe hij langzamerhand is opgeschoven van het behartigen van homobelangen in Nederland naar het opzetten van toegankelijke zorg voor mensen in Afrika en Azië. “Pas toen ik in de jaren negentig voor het eerst actief werd in de internationale strijd tegen aids, daagde het mij dat hiv in arme gebieden niet het enige gezondheidsprobleem is waarmee de bevolking kampt. Er is daar een gebrek aan vrije toegang tot medische hulp. Je ziet het meteen zodra je een Afrikaans plattelandsdorp binnenloopt. In de lokale kliniek melden zich zwangere moeders die niet alleen besmet zijn met hiv, maar ook malaria hebben. Of tuberculose. Hoe ga je die familie behandelen? Er zijn op het platteland vaak geen artsen of verpleegkundigen voor de eerstelijnsopvang. Dat betekent niet zelden dodelijk uitstel van behandeling. Er wordt de laatste jaren wel vooruitgang geboekt, maar de toegang tot betaalbare zorg blijft in de hele wereld een hell of a battle.”

De ervaringen in Afrika zetten zijn wereldbeeld op de kop, vertelt Van Rooijen. “In Nederland konden wij ons in de jaren negentig bijvoorbeeld in het AMC de luxe veroorloven van een speciale hiv-afdeling. Daar kon je je besmette sperma laten wassen als je kinderen wilde. Wij waren toen helemaal niet bezig met de internationale kanten van aids. Daar was zelfs grote weerstand tegen. De twijfel was toen of je in Afrika de anti-hiv-pillen wel op de juiste plekken kon distribueren. Daar waren toch geen koelkasten om medicijnen goed te houden, dachten wij destijds. Ook ik was er sceptisch over. Maar langzamerhand beseften wij dat ons wantrouwen gebaseerd was op vooroordelen. In Afrika is een hele generatie ouders weggevallen door het gebrek aan toegankelijke zorg. Dat kunnen we stoppen.”

Gevaarlijke tijdbom

In arme landen bestaat vandaag nog steeds weerstand tegen het samenvoegen van hiv-bestrijding en de strijd tegen malaria en tuberculose, vertelt Van Rooijen. “Je ziet daar dat een tuberculosedokter niet kan samenwerken met een hiv-arts. Terwijl de meeste mensen in plaats van aan hiv, aan tuberculose overlijden, omdat hun weerstand te zwak is geworden. De mix van hiv, malaria en tuberculose is een gevaarlijke tijdbom geworden in die landen.”

Peter van Rooijen rolde tamelijk naïef de aids-hulpverlening in, vertelt hij. Hij was klinisch psycholoog in Nijmegen en kreeg in de jaren tachtig veel wanhopige homomannen met hiv in zijn praktijk. Vanaf 1986 zette hij met vrienden een opvang op, samen met het Aidsplatform, al wist hij toen nog amper wat de ziekte inhield. “Wij hadden geen idee wat we er mee aan moesten. Niemand durfde zich te laten testen, uit angst voor een seropositieve uitslag. Dat was in die tijd een doodvonnis. Onze hulp was vooral stervensbegeleiding.”

Zijn persoonlijke leven kantelde eveneens. “Ik was getrouwd. Maar ik merkte gaandeweg dat ik op jongens viel. Toen Jan op een dag ons lab binnenwandelde, was ik verkocht. Ik gaf er aan toe.”

Zelf liet hij zich uiteindelijk wel testen. “Dat was toen Marloes, een vriendin van mij, een kinderwens had en mij vroeg zaaddonor te worden. Ik bleek hiv-negatief te zijn. Onze dochter Roos is inmiddels vierentwintig. Wij hebben hier in dit huis altijd met zijn vieren gewoond als één familie.”

Chronische aandoening

In Nederland is de strijd tegen aids nog niet gewonnen, blijkt telkens uit zorgrapportages. “Nee, was het maar waar. Door de komst van effectieve medicijnen is hiv van een dodelijke ziekte veranderd in een chronische aandoening, waarmee te leven valt. Inmiddels is er een hele generatie homojongeren opgegroeid zonder doodsangst, zoals wij die wel hebben doorgemaakt. Hierdoor is aids een nieuw taboe geworden. Daar praat je niet over met vrienden. De houding is: niet over zeuren, daar zijn pillen tegen. Het gevolg is dat veilig vrijen met condoom er vaak niet meer bij is. Onbegrijpelijk, vind ik. Maar ja, ik ben een oudere van zestig die in Nederland alleen nog vanaf de zijlijn toekijkt. Tegelijk besef ik dat wij als oudere generatie misschien te weinig gedaan hebben om de overdracht van informatie aan de jongeren te organiseren.”

Jaarlijks raken in Nederland nog steeds duizend mensen besmet met hiv. Vijftig van hen sterven aan aids, terwijl dit te voorkomen is, vindt Van Rooijen. “Als je niet veilig vrijt, is hiv nog steeds dodelijk als je er niet heel snel bij bent. Je moet daarom niet wachten met testen. Ben je besmet, dan is het advies direct te beginnen met de medicijnen. Dat is nog steeds niet bij iedereen doorgedrongen. Er zijn zelfs in Amsterdam huisartsen die vinden dat testen niet zo'n haast heeft.”

“Een groeiend probleem is ook dat jongeren zich niet meer tijdig laten testen op aids. Onder allochtonen speelt daarbij mee dat het in hun cultuur nog steeds heel moeilijk is om uit de kast te komen.”

Resistentie

Een nieuw gevaar is de oprukkende resistentie van virussen tegen medicijnen, vertelt Van Rooijen. “Dat speelt niet alleen in Afrika. Als we niet oppassen, groeit ook in Europa en Azië de resistentie tegen geneesmiddelen. In Oost-Europa is de situatie heel ernstig, vooral als het gaat om resistente tuberculose. Daar zie je bovendien de snelste stijging van het aantal hiv-infecties. Maar ook virale hepatitis, ofwel leverontsteking, groeit in Oost-Europa snel. Er is inmiddels sprake van multiresistentie tegen meerdere ziekten tegelijk. Dat zijn toch gezondheidsrisico's voor de hele Europese Unie. Maar er is amper interesse voor, behalve in Nederland en Duitsland.”

Tekst: Marc Laan
Foto: Marieke de Lorijn/Marsprine